Splet!
Splet! Een besje barst uiteen op mijn buik en maakt een zee van rode sproetjes op mijn witte huid. Het was natuurlijk ook geen briljant idee om de hangmat náást de partytent op te hangen. Nu vallen de besjes niet alleen rechtstreeks vanuit de boom op me, maar rollen ze ook van het plastic zeil mijn kant op. Splet! Dat wordt mijn haar wassen zo. Goed, nu kan ik net zo goed blijven liggen. Ik houd voor de zekerheid wel mijn mond dicht. Die weeige geur voorspelt niet veel goeds over de smaak.
Het is de namiddag van een bloedhete zomer waarop het proces van het vallen en openbarsten van de besjes begint. Zoals elke namiddag van deze bloedhete zomer trouwens. Of, in elk geval, elke namiddag dat ik in de hangmat lig. Spletsplash! Een paar overrijpe besjes vallen op en tussen mijn tenen. Ha! Daar zie je bijna niets van door mijn roodgelakte nagels. De pitjes scrubben zachtjes mijn tenen. Zo heb ik vanmiddag op het strand nog met mijn tenen liggen wiebelen en met de zandkorrels gespeeld tot mijn tenen ruw aanvoelden.
Je moet ervan houden hoor, dat lome gezwaai. Met mijn benen onder de muggenbulten is er sowieso al weinig sprake van ontspannen liggen. Met mijn nagels teken ik vierkantjes om de bulten heen. Witte, diepe vierkantjes om pijnlijk rode heuveltjes. Dat verlicht iets. Wat lijkt het me heerlijk als je in je vakantie echt vakantie kan vieren. Niet bezwaard bent door gedachten, of schuldgevoelens omdat je daar maar ligt, niets te doen. Ik ben overigens niet zo iemand die de hele nacht naar het plafond ligt te staren, van slapeloosheid. Nee, ik kan altijd en overal in slaap vallen. Er is alleen altijd wel iets in mijn hoofd. En in 99 procent van de gevallen is dat ‘iets’ een understatement. Een ravage, dat heet. Zo vraag ik me weleens af waarom ik toch altijd voor die mysterieuze maar megalomane, egoistische, pathetische, narcistische en eveneens weinig monogame man ga. Wellicht, zo luidt één van mijn theorien, omdat ik me anders, bij een lieve en zorgzame man dus, schuldig zou voelen. Dat ik me dan constant in moet houden, mijn eigen hysterische, arrogante en dramatische trekjes de baas moet zijn. Meestal lost dit terugkerende probleem zich overigens snel op. Ik bel niet meer of hij belt niet meer. Je zou toch denken dat ik, iemand met de kortste spanningsboog die ik ken, inmiddels wel afgekickt zou zijn. Aan de andere kant, kiezen die lieve mannen (die volgens mij alleen in jank-programma’s bestaan) niet voor mij. Gelijk hebben ze. Je moet mij niet mijn zin geven. Dan ben ik snel verveeld. God, ik zou niet aan mij beginnen; veel te arbeidsintensief.
Op momenten als deze zou ik tegen mezelf beschermd moeten worden. Op momenten als deze zou iemand me uit deze verdomde rustzak moeten trekken. Want op momenten als deze word ik niet afgeleid en volgen deze gedachten elkaar in razend tempo op.
Als ik ooit een zelfmoordbriefje zou schrijven, zouden ze dan op de Academie discussieren over het font dat ik gebruik? Zo van: “de Rockwell is zó overschat?” Ze zouden bij het zien van een strop waarschijnlijk nog kissebissen over de rol van de bindwijze in het redactionele geheel. Zinnetjes uit het condoleanceregister komen voorbij. Roger zou zelfs dan nog zeggen dat ik te makkelijk te werk ga. Kijk maar, zelfmoord getuigt toch niet van een kritische blik?
De Academie maakt van het vrolijkste en gelukkigste kind nog een naargeestige cynicus, daar ben ik heilig van overtuigd. En dat voor iemand die nergens in gelooft. Depressie lijkt de ideale gemoedstoestand. Geen wonder dat alle uitgangen op slot zitten en de ramen dicht zijn geverfd.
Op momenten als deze ga ik opeens dingen vastleggen. Ik wil dat iedereen die ik ken op mijn begrafenis komt. Ze mogen niet van die lange boeketten met linten eraan meebrengen. Ik wil zonnebloemen. Noot voor de planning: het moet in de zomer gebeuren. Volgende zomer dan. Ik heb er nu nog geen zin in. Ze moeten Grindermans’ ‘No Pussy Blues’ -ik denk heus wel aan de vele ex-vriendjes die ik achterlaat- draaien en ‘Purple Rain’ van Prince. Ik stel bij deze mijn zusje aan als doorbitch, niets is erger dan mensen die, op nota bene mijn begrafenis, spaghetti-jurkjes dragen, of afzichtelijke schoenen. Kan ze daarmee mijn kamer verdienen en er een inloopkast van maken. Daar zeurt ze al jaren om.
Een brief aan de bezoekers van mijn begrafenis moet voorgelezen worden door mijn moeder. Ze wilde altijd al een boek over mij schrijven. Goed, mijn kamer wordt al in beslag genomen, dus waarom mijn wijlen liefdesleven niet?! Ter leering ende vermaeck, niet?
Brief:
Rutger, mijn eerste grote liefde, bedankt dat je zo veel afstand hield, zodat ik na vier jaar eindelijk over je heen was. Fijn dat ik je nergens tegen het lijf liep, je hebt jezelf echt weggecijferd. Nogmaals dank.
Nick, mijn tweede grote liefde, knap dat je niet alleen mij, maar ook de meisjes met wie je vreemdging, zo makkelijk vergat. Ik denk met een grimas terug aan de passievolle ruzies en de dronken ik-hou-van-jou’s. Ik geef je nu een compliment, dus bereid je voor: je bent echt geweldig, in het stilzwijgend toestemmen van een time-out. Hulde!
Aan alle andere(n) (leugenaars, bedriegers en andersoortige eikels): het was hier fántastisch!
Dag allemaal,
love u, kisses
Floor
Gisteravond was ik ook hier, in het park. Ik kwam een man tegen. Hij was wat mollig en had een mal accent maar ik vond hem desondanks charmant. Hij bood me één van zijn aardbeien – of meer als ik wilde – aan uit een plastic supermarktdoosje. Wat vreemd zo laat op de avond, en in combinatie met bier. Daarom stelde ik speels dat ik niets van vreemden aannam. “Goed”, zei hij, maar verzekerde me ervan dat ik er niet dood aan zou gaan. Niet dat ik daar enigzins bang voor was. Ik ben niet zo bangerig aangelegd. Mijn ouders waarschuwden me vroeger al voor mijn roekeloosheid. “Je bent echt niet onsterfelijk Floor!”, zeiden ze dan. Ging ik dit echt doen? Ging ik met deze innemende mafkees mee? Blijkbaar wel. En nu lig ik hier in de hangmat die we gisternacht vonden, even verderop in het gras. Daarnaast hadden we gelegen, gezoend en gezegd dat we elkaar mooi vonden.
Gek, vanochtend nog dacht ik dat ik me niets kon herinneren van de vorige avond. Maar nu komt alles terug. Splet.
Ik dwaal af. Terug naar project zelfmoord. Ik heb ooit gelezen dat vrouwen nooit kiezen voor geweldadige manieren. Zij grijpen naar gif of een overdosis pillen. Het lijkt me ook niets, jezelf ophangen of door het hoofd schieten. Nu heb ik een mooie en lelijke kant van mijn gezicht, toch maakt zo’n gapende wond het geheel minder charmant. Zie je het al voor je? Lig je daar in zo’n witte kist met een half gezicht. Ik wil een strakke kist overigens. Geen hysterisch gedecoreerd geval. Ik wil ook geen dooddoeners van het kaliber “wat ligt ze er mooi bij heh?” of: “het lijkt net of ze slaapt” horen. Bullshit! Ik slaap namelijk in de foetushouding met mijn mond open en die zit nu dichtgeplakt. Wat ik zo ongelofelijk aanstootgevend vind is dat ze bij het mortuarium de lijken op maken. Grime is er niets bij. Dat doe ik dus zelf. Evenals mijn haar en styling. Dat kun je gewoonweg niet aan anderen overlaten. Mijn vaste kapper heeft het zelfs al eens verpest, terwijl je zou denken dat er niet zoveel mis kan gaan met krullen.
Springen is ook absurd. Je van een gebouw laten vallen. Je komt er niet ongeschonden uit maar het heeft wel iets stoers. Gif of pilletjes steken daar toch wat bleekjes bij af. Die kenmerken de ruggegraatlozen van de zelfmoordscene. Letterlijk het leven uitstappen getuigd van karakter en het doel heiligt de middelen zullen we dan maar zeggen.
“Gek heh, dat ze er ineens niet meer is?” Ineens? Als ze eens wisten hoeveel voorbereiding ik hierin gestoken had zouden ze er niet zo laconiek over doen.
Die jongen van gisteren had stevige schoenen aan. Hij zei dat hij die droeg om niet onderuit te gaan op het zachte gras. En dat was een punt want de bodem was door de verzengende hitte en het grote aantal feestgangerspassen modderig geworden. Ik liep gewoon op blote voeten, maar keek wel uit voor losslingerende glasscherven (niet ongewoon op een feest als gister). Totdat we dus die hangmat zagen liggen. Ik zei dat zoals dat ding daar lag het haast godslastering zou zijn om door te lopen. En dus besloten we te gaan liggen. We maakten engeltjes in de modder door met onze armen en benen te bewegen.
Hoe was ik ookal weer hier in het park beland? Ik weet het alweer. Rond drie uur was ik gillend Worm uitgerend, waarna ik nog honderden meters achtervolgt werd door ‘experimentele’ (ofwel compleet gedrogeerde) tonen die de DJ draaide. Bij gebrek aan geld, ik verkeer namelijk al mijn hele leven in de finaciele piepzak, besloot ik me aan te sluiten bij een gezelschap dat richting museumpark liep. Dat gezellig samenzijn duurde tot zeven uur ‘s ochtends, en daar onmoette ik die gekke Patrick met dat accent.
Het lijkt me verschrikkelijk om als leek een relatie te hebben met een overtuigd vormgever. Ik betrap mezelf erop dat als ik iemand gefascineerd ergens over verteld ik denk: “ach gut, die heeft nog een passie…”. Mentoren en (stage)begeleiders zijn een soort hulpsinterklazen (hoe je op het woord hulpsinterklazen komt in hartje zomer…). Of als horoscopen. Ze doen alsof ze weten wie je bent maar doen zo’n brede gok dat dat profiel op iedereen toepasbaar is. Ik voel me meer dan eens een eenling tussen de getiktelingen. Maar soit, ik moet me nu niet van de wijs laten brengen door nepheiligen, of astrologische kul, terug naar het masterplan.
Een locatie. Dat blijkt een heikel punt. Waar je het doet zegt iets over wie jij bent, of, was. Ik wil andere mensen niet belasten met mijn wanhoopsdaad. Dat zou onaardig zijn en ik ben allerminst onaardig. Dus: niet van een hotel, niet dichtbij een school en niet in Centerparks. Want dat beeld blijft je wel bij hoor, als je als nietsvermoedende badganger met jengelde peuters in je kielzog een gehavend lijk op het pittoreske grindpad ziet liggen. Als uiting van ultieme hysterie zou het springen van een groot warenhuis een goede optie zijn. In dat geval zou ik het kunnen laten filmen door Sunny Bergman. “Fashionvictim pur sang”, zou ze dan zeggen. In dat geval maak ik er een performance van en huur ik een acteur in die me moet weerhouden van de dodelijke sprong. Dan draag ik anti-kapitalistische leuzen voor alvorens ik de stap waag. Maar wie weet is dit idee volgend jaar al hopeloos cliche. De locatie vraagt dus om uitstel van executie.
Fijn om op de dingen voorbereid te zijn. Ik bedoel, je weet maar nooit of er zowaar eens een reden voorbij komt om er een einde aan te maken. Ik kan me zo inbeelden dat je dan niet zo helder meer na kunt denken. Dan komt zo’n back-up toch mooi van pas.
Splet! Warm sap. Het is al flink afgekoeld. Ik kijk naar de schemering en besluit dat het tijd is om er uit te stappen. Oeps. Of vallen.
Soortgelijke artikelen:
- Geen soortgelijk artikelen gevonden





